
News Update Hoge Raad
21 maart 2025
HR oordeelt over verjaring premievorderingen bedrijfstakpensioenfonds
Civiel
De HR oordeelt in een langlopend geschil over de gedwongen deelname van Booking.com aan het bedrijfstakpensioenfonds van de reisbranche. De HR laat zich (ten overvloede) uit over de toepasselijke verjaringstermijn van premievorderingen, een onderwerp waarover in de literatuur en lagere jurisprudentie lange tijd onduidelijkheid heeft bestaan. De HR oordeelt dat de verjaring wordt beheerst door de regeling van art. 3:308 BW (vijf jaar na opeisbaarheid). Een pensioenfonds kan de opeisbaarheid van de premievordering in het pensioenreglement regelen, mits binnen de grenzen van dit wet. De HR benadrukt daarbij dat de verjaringstermijn kan worden verlengd indien de werkgever opzettelijk het bestaan van de premievordering of opeisbaarheid verborgen houdt en dat onder omstandigheden een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn.
ECLI:NL:HR:2025:423
HR gaat over tot stellen prejudiciële vragen over toepasselijk recht op follow-on vorderingen
Civiel
In een drietal zaken gaat de HR in op het toepasselijke recht op follow-on vorderingen. Twee daarvan gaan over de toepassing van de WCOD in de AirCargo-zaak. De derde betreft de beantwoording van prejudiciële vragen in de Trucks-zaak, waar ook de Rome II-Verordening een rol speelde.
De HR stelt in deze zaken prejudiciële vragen aan het HvJEU over de kwalificatie van een enkele en voortdurende inbreuk. Leidt dit tot één schadevordering per benadeelde, of tot afzonderlijke schadevorderingen per transactie?
Over de WCOD oordeelt de HR dat deze niet voorziet in een eenzijdige rechtskeuze. Dat is onder de Rome II-Verordening wel mogelijk onder bepaalde voorwaarden. Volgens de HR bevat de WCOD geen leemte die daarmee ingevuld kan worden. De wetgever heeft onderkend dat dit leidt tot versnippering, maar desondanks bewust geen mogelijkheid voor een eenzijdige rechtskeuze in de wet opgenomen.
In de Trucks-zaak stelt de HR prejudiciële vragen over de Rome II-Verordening. Deze vragen zien op de daarin vervatte regeling van overgangsrecht en op de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het toepasselijke recht op grond van artikel 6 lid 3 moet worden vastgesteld.
HR staat aftrek liquidatieverlies toe ondanks Ierse group-reliefregeling
Tax
Belanghebbende trekt een liquidatieverlies af met betrekking tot twee indirecte Ierse dochtervennootschappen. Deze vennootschappen hadden onder de Ierse group-reliefregeling verliezen overgedragen die binnen hetzelfde jaar konden worden verrekend met winsten van andere Ierse groepsvennootschappen. De inspecteur stelde dat belanghebbende het liquidatieverlies niet in aanmerking mocht nemen omdat de Ierse verliezen onder de niet-tegemoetkomingseis niet definitief waren omdat deze via de group-reliefregeling bij de andere Ierse vennootschappen konden worden gebruikt. De HR oordeelt dat de wetgever bewust heeft aanvaard dat verliezen onder de liquidatieverliesregeling potentieel dubbel kunnen worden gebruikt, omdat liquidatieverliezen vrij ruw en forfaitair worden vastgesteld. De niet-tegemoetkomingseis moet daarbij op het tijdstip van de liquidatie worden toegepast en beperkt worden uitgelegd. Ondanks de toepassing van de Ierse group-reliefregeling mag belanghebbende het liquidatieverlies dus in aftrek brengen.
ECLI:NL:HR:2025:417
Kapitein niet verantwoordelijk voor dodelijk arbeidsongeval op een schip
Straf
In 2017 vond op een schip een arbeidsongeval plaats waarbij een bemanningslid om het leven kwam. Aan de kapitein werd ten laste gelegd dat hij als werkgever in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet zou hebben gehandeld. De HR oordeelt dat uit de omstandigheden dat 1) de kapitein het gezag voerde over het schip en daarmee over de bemanningsleden en 2) de kapitein binnen het betreffende bedrijf ‘de nodige invloed lijkt te hebben’, niet volgt dat hij daarmee in een zodanige (contractuele) gezagsverhouding tot die bemanningsleden stond dat hij als werkgever in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet kan worden aangemerkt.
ECLI:NL:HR:2025:411